• Genera Plant. 1: 864 (1754).
    Type: R. fruticosus L.

    Britton & Brown 1913 kozen R. fruticosus als typesoort, welke keuze werd bevestigd door Van de Beek 1974 en Weber 1986. Verder werd deze soort geidentificeerd met R. plicatus Weihe & Nees, waardoor de typificatie leek vast te staan. Om aan alle onduidelijkheid te maken is het type nu geconserveerd. Het enige punt van discussie zou nog kunnen zijn of de naam alleen gebruikt moet worden voor de macrospecies (Weber 1986), of dat ook de microspecies de naam R. fruticosus moest krijgen zoals een formele toepassing van de regels vereist (Van de Beek 1974). Om verwarring te voorkomen is het beter het taxon toch maar R. plicatus te noemen.

     

    • Subgenus Cylactis (Rafin.) Focke, Syn. Rub. Germ. 72: 95 (1877)

      Type: Rubus pubescens Rafin. Med. Repos. ser. 3,2: 333 (1811) non J.C. Presl  ex Tratt. nec Weihe (= Cylactis montana Rafin., American Journ. Science 1: 377 (na mei 1819) = C. lyncemontana Rafin., Journ. Phys. Chem. Hist. Nat. 89: 97 (aug. 1819), de enige soort uit zijn genus Cylactis; zie Bailey 1945: 38).

      Synon.: Genus Cylactis Rafin., American Journ. Science 1: 377 (na 17 mei 1819);  Journ. Phys. Chem. Hist. Nat. 89: 97 (aug. 1819). Sectio Cylactis (Rafinesque) Focke, Abh. Nat. Ver. Bremen 4: 142 (1874).

      Rafinesque heeft het genus Cylactis in 1819 tweemaal gepubliceerd. De publicatie in de American Journal of Science is na 17 mei 1819 (zie blz. 442) die in de Journal de Physique van augustus 1819 (zie onderaan blz. 97). Waarschijnlijk is de eerste dus vroeger. In dat geval is de naam van de enige soort van het genus Cylactis montana. In de Franse publicatie is die C. lyncemontana, zonder dat Rafinesque ergens aangeeft waarom hij twee namen gebruikt. Evenmin vermeldt hij dat hij dit taxon al eerder had beschreven als Rubus pubescens onder verwijzing naar R. saxatilis ssu Michx. non L.

      Loten eenjarig, kruidachtig; bloem wit, tweeslachtig; meeldraden naar de voet iets verbreed.

       

       

      Aantal soorten:
      1
    •  

      Esdoornbraam

       

      Subgenus Anoplobatus (Focke) Focke

       

      Rechtopstaand, onbestekeld, bladeren enkelvoudig gelobd als die van een esdoorn of plataan; bloemen groot.

      Aantal soorten:
      4
    • Rechtopstaande stengels met stekels met verbrede voet. Bloemen groot, paarsrood, min of meer klokvormig, gelijk met de bladeren verschijnend.

      Aantal soorten:
      1
    • Bibl. Botan. 72: 128 (1911). Type: R. idaeus L.

      Synon.: Sectio Idaeobatus Focke, Abh. Nat. Ver. Bremen 4: 143 (1874).

      Loten tweejarig, verhout, rechtopstaand, met naald- of priemvormige stekels; bladren 3-tallig of geveerd; rijpe vrucht van de vruchtbodem losrakend, rood, oranje of geelachtig, zelden zwartachtig maar dan de bladeren geveerd.

      Aantal soorten:
      5
    • Loten tweejarig, verhout. Bladeren 3-tallig of handvormig samengsteld. Rijpe vrucht met de vruchtbodem samen afbrekend, gewoonlijk zwart, zelden donkerrood of blauw.

      • Bladloot rechtopstaand, boogvormig of neerliggend. Vrucht glanzend zwart of zelden donkerrood.

        • Bladloot rechtopstaand, aan de top gewoonlijk in de herfst niet wortelend; planten vaak met wortelopslag; kelkslippen groenachtig met scherp afgescheiden witte rand; bladeren in de herfst afvallend.

          • Syn. Rub. Germ. 1877: 76.

            Type (Weber 2000): R. pseudo-idaeus P.-J. Müller (= R. nessensis Hall).

            Synon.: Serie Nessenses Weber 2000 (nom. superfl.)

            Uitgesproken rechtopstaande planten met kegel- of priemvormige stekels; bloeiwijze trosvormig; vrucht donkerrood; vroeg bloeiend. Deze serie staat het dichtst bij Rubus idaeus. Met name R. ammobius vertoont deze verwantschap door de op die van de Framboos lijkende beharing van zijn vruchten.

            Kenmerkende soort: R. nessensis.

            Weber 2000 beschouwt de naam Suberecti als illegitiem omdat de auteur van het basionym, P.J. Mueller, R. plicatus Weihe & Nees insluit, die als identiek met R. fruticosus L., de typesoort van het genus wordt opgevat, waarom de naam van de serie Rubus zou moeten zijn. Mueller noemt echter zelf R. fruticosus L. niet. De identificatie van beide soorten is dus een taxonomische beslissing van andere auteurs en heeft geen invloed op de nomenclatorische legitimiteit van het epitheton. Dat zou zelfs niet het geval zijn geweest als Mueller zelf R. fruticosus L. onder zijn Suberecti had vermeld, omdat R. fruticosus pas veel later als het type van het genus Rubus is aangewezen.

            Aantal soorten:
            6
          • Serie Canadenses (L.H.Bailey) A. Berger, New York Agric. Exp. Sta. Bull. 1925 (2): 69.
            Type: R. canadensis L.

            Sectie Canadenses L.H.Bailey, Gentes Herbarum 1: 180 (1923).

            Rechtopstaande bladloot met fijne zwakke stekels of onbestekeld; bladeren met zeer lang uitgetrokken spits; meeldraden na de bloei wijd uiteen staand; bloeiwijze trosvormig, onbeklierd.

            Aantal soorten:
            1
          • Serie Alleghenienses (L.H.Bailey) A.Berger, New York Agric. Exp. Sta. Bull. 1925 (2): 72.
            Type: Rubus allegheniensis Porter

            Sectie Alleghenienses L.H.Bailey, Gentes Herbarum 1: 183 (1923). Vgl. V 1944

            Rechtopstaande bladloten met stevige stekels; meeldraden na de bloei wijd uiteen staand; bloeiwijze trosvormig, rijk beklierd.

            Aantal soorten:
            3
          • Kenmerkende soort: R. plicatus Weihe & Nees

            Bladloot niet of nauwelijks vertakt, geheel kaal, meestal rechtopstaand; kelkslippen vrijwel steeds groen met scherp afgezette witte rand.

            Aantal soorten:
            8
          • Bromb. Geldr. Distriktes 20 (1974).(Focke 1914: 104 ad interim: 103). Type (Van de Beek 1974): R. affinis Weihe & Nees

            Kenmerkende soort: R. vigorosus

            Bladloot in de herfst vaak overhangend, soms iets behaard; bloeiwijze samengesteld, meestal sterk bestekeld; kelkslippen vaak iets grijsachtig. Vormt de overgang tussen de series Rubus en Hayneani.

            Aantal soorten:
            10
          • Puntbraam. Series Arguti (L.H.Bailey) A. Berger, New York Agric. Exp.
            Sta. Bull. 1925 (2): 76.

             Rechtopstaande bladloot. Stekels afgeplat. Bloeiwijze trosvormig, klierloos. Meeldraden na de bloei uitstaand.

            Verschilt van de serie Alleghenienses door de klierloze bloeiwijzen.

            Aantal soorten:
            3
        • Jan. 1869: II.

          Synon: Sectie Silvatici P.-J. Müller 1861: 278.
          = Subsectie Fruticosi (Wimmer et Grabowski) Babington 1.V.­1869: 36.
          = Sectie Fruticosi (Wimmer et Grabowski) Lejeune et Courtois 1831: 162.
          = Fruticosi Wimmer et Grabowski 1829: 23. Type: R. fruticosus ssu Weihe (= R. montanus Libert ex Lejeune).
          = Subsectie Discolores (P.-J. Müller) Boulay 1869: II.
          = Sectie Discolores P.-J. Müller 1861: 278. Type (ICBN art. 22.4): R. discolor Weihe.
          = Subsectie Virescentes Genevier 1869: 163. Type (nov. publ.): R. questieri P.-J. Müller et Lefèvre.
          = Subsectie Appendiculati Genevier 1869: 63. Type (Van de Beek 1974): R. flexuosus P.-J. Müller et Lefèvre.
          = Subsectie Spectabiles (P. J. Müller) Boulay 1869: II.
          = Sectie Spectabiles P.J.M. 1861. 278. Type (nov. publ.): R. vestitus Weihe.
          = Subsectie Glandulosi (Wimmer et Grabowski) Boulay 1869: III,
          = Glandulosi Wimmer et Grabowskii 1829: 33.
          = Subsectie Hiemales Krause 1890: 57. Type (WEBER 1985): R. conothyrsus Focke (= R. siekensis Bra­un).
          = Subsectie Senticosi Focke 1914: 113. Type (nov. publ.): R. rhamnifolius Weihe et Nees (R. senticosus Koehler ex Weihe excl.).

          Bladloten met overhangende top of neerliggend, in de herst aan de top wortelend. Geen wortelopslag. Kelkslippen meestal grijsachtig. Bloeiwijze meestal pluimvormig sameng­esteld.

          • Serie Tephrocaulon Boul.

            Diagnoses des espèces ou formes de Rubus distribuées par l' Association Rubologique (1871-1876), Lille, Juin 1877: 12

            Typesoort: R. rusticanus Mercier

             

            Synon:

            Serie Gypsocaulon (P.J.Müll. ex Sudre) Juz.

            Flora USSR 10: 20(1941).

            Typesoort: R. ulmifolius Schott  (Beek 2005)

            Blauwberijpte bladloot, kleine witviltige, iets leerachtige bladeren, onbebladerde smalle, viltige, klierloze bloeiwijze, brede kroonbladen.

            Aantal soorten:
            2
          • Serie Piletocaulon Boulay

             

            Diagnoses des espèces ou formes de Rubus distribuées par l' Association Rubologique (1871-1876), Lille, Juin 1877: 22

            Typesoort:  R. robustus P.J.Müll. (= R. procerus P.J>Müll ex Boul.)

             

            Synon.: Serie Candicantes (Lees) Focke, Syn. Rub. Germ. 154 (1877)
            Type (ICBN 22.5): R. candicans Weihe ex Reichenb. (= R. montanus Lib. ex Lejeune).

            Serie Discolores (P.-J. Müller) Focke, Spec. Rub. 3: 376 (1914).
            Type: R. discolor Weihe (= R. bifrons Vest)

            Kenmerkende soort: R. procerus P.J.Müll. ex Boul.


            Bladloot niet dicht berijpt of als dat bij uitzondering het geval is, dan met lange haren. Bladeren aan de onderzijde grijs- of witviltig. Bloeiwijze klierloos of bij hoge uitzondering met een enkele klier.

             

            Aantal soorten:
            15
          • Serie Hayneani Tratt.

            Syn. serie Rhamnifolii Focke, typo excl.

             

            Kenmerkende soort: R. nemoralis

            Koepelvormige fors bestekelde struiken. Bladloot meestal iets behaard, klierloos of zelden met een enkele klier. Bladeren aan de onderzijde groen of de bovenste iets grijsviltig. Bloeiwijze klierloos of met verspreide klieren, sterk bestekeld.

            Aantal soorten:
            29
          • Serie Candicantes (Lees) Focke

            Syn. Rub. Germ. 154 (1877)
            Type (ICBN 22.5): R. candicans Weihe ex Reichenb. (= R. montanus Lib. ex Lejeune).

             

            Viltige bladonderzijden. Klierloos. Onderste zinblaadjes meestal zittend of kort gesteeld. Bloeiwijze meestal met lange dunne steeltjes.

            Dit is een serie triploïede bramen die ontstaan zijn uit hybridisatie met R. aetnicus Weston, in tegensteeling tot de serie Piletocaulon die haar oorsprong vindt in hybriden van R. ulmifolius Schott.

            Aantal soorten:
            6
          • Bibliotheca Botanica 83(2): 180 (1914).
            Type (art 22.4 ICBN): R. egregius Focke.

             

            Kenmerkende soort: R. egregius Focke

            Bladloot kaal of weinig behaard. Bladeren vaak ten dele 3- of 4-tallig, vaak grijs- of matgroen. Bloeiwijze viltig, zonder of met zeer verspreide lange haren, soms met enkele klieren. Zijtakken gewoonlijk onder het midden gedeeld.

            Aantal soorten:
            9
          • Rub. Eur. 22 (1908). = Groupe Piletosi Genev. 1869: 163. Type (BEEK 1974): R. piletostachys Godron & Grenier. = Subserie Piletosi (Genevier) Beijerinck 1956: 51. = Serie Grati (Sudre) Beijerinck 1956:51 = Groupe Grati Sudre 1900. 37. Type (art. 22.4 ICBN): R. gratus Focke. = Subsectie Grati (Sudre) Sudre 1908. 22. = Serie Eugrati Sudre 1908. 22. (nom. ill. Art. ICBN)

            Kenmerkende soort: R. macrophyllus.

            Forse bramen van bosranden en hagen, met (vaak dicht) behaarde bladloot, meestal weinig bestekeld; bloeiwijze meestal ruig behaard, niet of zwak beklierd. De meest karakteristieke soort is R. macrophyllus. R. gratus neigt met zijn geringe beharing en vaak grijsgroene kelken naar de Semisuberecti.

            Aantal soorten:
            11
          • Spec. Rub. 3:391 (1914). Type (ICBN 22.5): R. silvaticus Weihe.

            Weber 1986 kiest R. piletostachys Godron als type. Hoewel Müller R. silvaticus Weihe niet aanneemt voor de omgeving van Weissenburg blijkt uit zijn aarzeling of zijn R. axillaris (= R. axillariformis Sudre) identiek is met R. silvaticus, duidelijk dat hij de soort tot deze serie rekende.

            Kenmerkende soort: R. silvaticus Weihe & Nees

            Bloeiwijze lang piramidaal of enigszins cylindrisch, sterk bebladerd, met talrijke weinig verbrede stekels. Topblaadje vaak min of meer omgekeerd eirond. Planten weinig of niet beklierd.

            Aantal soorten:
            7
          • Rub. Eur. 22 (1908).

            Type (art. 22.5): R. nemorensis P.J.Müll. & Lefèvre


            Kennmerkende soort: R. hypomalacus.

            Onopvallende bramen met kleine bloeiwijzen en grote bladeren. Bladeren 3-5 tallig. Topblaadje vaak eirond, geleidelijk toegespitst.

             

            Aantal soorten:
            3
          • Syn. Rub. Germ. 77 (1877).

            Type (art. 22.5): R. sprengelii Weihe.

            Kennmerkende soort: R. sprengelii.

            Kleine bramen; bladloot zonder of met verspreide klieren, behaard; bladeren aan de onderzijde zonder vilt; bloeiwijze meestal met verspreide, soms talrijke klieren; kroonbladen na de bloei niet afvallend, maar verdrogend; meeldraden meestal korter dan de stijlen.

            Aantal soorten:
            4
          • Rub. Westphalici 290 (1986).

            Type (ICBN 22.5): R. mucronatus Bloxam (= R. mucronulatus Boreau).

            Kenmerkende soort: R. mucronulatus.

            Bladloot meestal met enkele klieren en kleine stekels; bladeren fijn getand; topblaadje meestal fijn toegespitst; bloeiwijze met gesteelde klieren; helmhokken vaak behaard.

            Aantal soorten:
            6
          • Syn. Rub. Germ. 78 (1877).

            Type (art. 22.4): R. vestitus Weihe

            Kenmerkende soort: R. vestitus.

            Dichtbehaarde bramen met afstaande en meestal tevens stervormige haren; bladloot zonder of met enkele tot vrij talrijke kleine stekels en klieren, bladen aan de onderzijde meestal met kamharen op de nerven en vaak tevens viltig; bloeiwijze fraai piramidaal, beklierd en dicht ruig behaard.

            Aantal soorten:
            19
          • Osnabr. Naturwiss. Mitt. 5: 128 (1977).

            Type (ICBN 22.5): Rubus anisacanthos Braun

             Kenmerkende soort: R. conothyrsoides.

            Bladloot in sommige gedeelten met vrijwel gelijke stekels en klierloos en in andere gedeelten met vrij talrijke kleine stekels en klieren, kaal tot matig behaard; bloeiwijze met forse stekels.

            Aantal soorten:
            5
          • Watson 1946

            Type: R. apiculatus Weihe

            Synon.: Serie Micantes Rub. Eur. 284 (1913).

            Kenmerkende soort: R. raduloides.

            Stekels ongelijk met verspreide tot matig talrijke kleine stekels en overgangen; klieren weinig tot matig talrijk, ongelijk van lengte; bladloot kaal of weinig behaard; topblaadje eirond of omgekeerd eirond, niet tegelijk fijn toegespitst en fijn getand.

            Aantal soorten:
            3
          •  

            Syn. Rub. Germ. 317 (1877).

            Type (ICBN 22.5): R. radula Weihe.

             Kenmerkende soort: R. rudis.

            Bladloot met talrijke klieren en kleine stekeltjes die min of meer gelijk van lengte zijn en (vrij) duidelijk afgegrensd van de grote stekels. Bladonderzijden gewoonlijk iets grijs- of witviltig, Bldloot duidelijk behaard tot vrijwel kaal.

            Aantal soorten:
            2
          •  Knemrkende soort: R. pallidus.

            Bladloot met talrijke klieren en kleine stekeltjes die min of meer gelijk van lengte zijn en vrij duidelijk afgegrensd van de grote stekels, maar beide gewoonlijk minder uitgesproken dan bij de serie Radula. Bladeren aan de onderzijde groen. Bladloot gewoonlijk (vrij) dicht behaard

            Aantal soorten:
            14
          • Syn. Rub. Germ. 78 (1877).

            Type (ICBN 22.5): Rubus hystrix Weihe.

            Synon.: Subsectie Hystrix (Focke) Hayek 1909. 794.

            Serie Koehleriani (Bab.) Focke 1914. 459 = Group Koehleriani Bab. 1869. Type (ICBN 22.5): R. koehleri Weihe.

            Kenmerkende soort: R. rosaceus.

            Forse planten met kantige bladloten. Grotere stekels meestal afgeplat en fors. Klieren en kleine stekels zeer talrijk, met allerlei tussenvormen verbonden met de grote stekels. Bladeren meestal 5-tallig.

            Aantal soorten:
            8
          • Journ. Ecol 33:     (1946).

            Type: R. schleicheri Weihe

            Kenmerkende soort: R. schleicheri

            Bladloot rond tot stompkantig. Stekels afgeplat, stevig. Bladeren meestal 3-tallig. Bloeiwijze met talrijke klieren. Klieren op de bloemsteeltjes vaak korter of merendeels evenlang als de dikte van het steeltje.

            Aantal soorten:
            5
          • Syn. Rub. Germ. 355 (1877).

            Type (ICBN 22.5): Rubus glandulosus Bellardi.

            Kenmerkende soort: R. oreades.

            Tere of matig krachtige planten meestal met ronde of stompkantige bladloot. Grotere stekels min of meer naaldvormig. Klieren en kleine stekels zeer talrijk, met allerlei tussenvormen verbonden met de grote stekels; die op de bloemsteeltjes deels langer dan de doorsnede van het steeltje; bladeren vaak 3-tallig.

             

            Aantal soorten:
            12
      • Syn. Brit. Fl. 93 (1835)

        Type (ICBN 22.5): R. corylifolius Smith.

         Kenmerkende soorten: R. lobatidens; R. tuberculatus.

        Bladloot vaak berijpt, meestal neerliggend. Steunblaadjes gewoonlijk lancetvormig tot smal eirond; bladsteel meestal met een sterk vochthoudende en daarom na het drogen dunne basis. Bladeren dikwijls bol staand of gerimpeld, vaak (deels) 3-4-tallig met gelobde zijblaadjes; blaadjes kort gesteeld, de onderste zijblaadjes vaak vrijwel of geheel zittend.

        Bloeiwijze meestal onregelmatig vertakt. Kelkslippen meestal afstaand of opgericht. Kroonbla­den gewoonlijk breed eirond of vrijwel cirkelrond. Meeldraden meestal ongeveer evenlang als of nauwelijks langer dan de stijlen. Vrucht met meestal weinig talrijke, grote deelvruchtjes die bij rijpheid zwart of zwartrood en vaak berijpt zijn.

        Door de combinatie van deze kenmerken (die zelden alle tegelijk voorkomen) heeft de plant meestal een rommelig uiterlijk. Planten met voorkeur voor omgewerkte grond: wegbermen, greppels, jonge bossen etc.

        De soorten van deze sectie zijn in de regel minder stabiel dan die van de sectie Rubus en er zijn veel losse planten of zeer lokale taxa die soms veel op wijdverspreide soorten kunnen lijken. Kennis van de Corylifolii vraag dan ook meer ervaring.

          • Serie Clivicola A.Beek, Gorteria 36: 93 (2014) = Serie Subthyrsoidei (Focke) Focke, Sp. Rub. 3: 486 (1914).

            Type: R. gothicus Frid. & Gelert ex Krause.

             Kenmerkende soort: R. deweveri.

            Bladloten met min of meer gelijke stekels. Bladeren aan de onderzijde grijsgroen- tot witviltig, meestal met sterharen, aan de bovenzijde kaal of met aanliggende haren.

            Aantal soorten:
            4
          • Rev. Sekt. Corylifolii 160 (1981).

            Type: R. mollis J. & C. Presl.

             Kenmerkende soort: R. foersteri.

            Bladloten met min of meer gelijke stekels. Bladeren aan de onderzijde grijsgroen- tot witviltig, meestal met sterharen, aan de bovenzijde vooral in de bloeiwijze met fijne sterharen of met dichte korte beharing.

            Aantal soorten:
            2
          • Rev. Sekt. Corylifolii 88 (1981).

            Type (Weber 1981): Rubus dissimulans Lindeberg.

            Kenmerkende soort: R. incisior.

             Bladloot meestal kaal, met gelijke stekels. Bladeren aan de onderzijde meestal groen. Kelkslip­pen (grijs-)groen met witte rand.

             

            Aantal soorten:
            4
          • Serie Viatici A.Beek

            Gorteria 36: 93 (1914) = Serie Subsylvatici (Focke) FockeSpec. Rub. 3: 483 (1914).

            Type (Weber 1981): R. nemorosus Hayne & Willdenow.

             Kenmerkende soort: R. nemorosus.

            Bladloten stevig, meestal behaard, met min of meer gelijke, meestal samengedrukte (vrij) lange stekels, niet of weinig beklierd. Kelkslippen grijsviltig. Kroonbladen breed eirond tot vrijwel cirkelrond, groot, vaak roze. Helmhokken dikwijls behaard.

            Aantal soorten:
            12
          • Rev. Sekt. Corylifolii 171 (1981).

            Type (Weber 1981): R. slesvicencis Lange.

            Kenmerkende soort: R. neanias.

            Gehele plant sterk behaard. Bladonderzijden met lange kamharen. Verspreide tot vrij talrijke klieren. Topblaadje breed eirond tot vrijwel cirkelrond.

            Aantal soorten:
            1
          • Bladloot nu eens met vrijwel gelijke stekels en verspreide gesteelde klieren dan weer met ongelijke stekels en vrij talrijke stekels. Bladeren vrij fijn gezaagd. Bloeiwijze piramidaal of min of meer afgerond met talrijke lange klieren en klierstekels.Helmknoppen vaak behaard.

             

            Kenmerkende soort: R. ferocior H.E.Weber

            .

            Aantal soorten:
            5
          • Journ. Ecol. 33: 344 (1946).

            Type (Watson 1946): R. adenoleucos Chab.

             Kenmerkende soort: R. vandermeijdenii.

            Bladloot met matig tot zeer talrijke gesteelde klieren zonder veel overgangen naar de grote stekels. Bloeiwijze rijk beklierd.

             

            Aantal soorten:
            7
          • Rev. Sekt. Corylifolii 187 (1981).

            Type (Weber 1981): R. hystricopsis (Frid.) Gust.

             Kenmerkende soort: R. luticola.

            Stekels en klieren sterk ongelijk, via klierstekels in elkaar overlopend. Stekels met verbrede voet. Langste klieren meestal langer dan de doorsnede van de bloemsteeltjes.

            Aantal soorten:
            3
          • Type: R. corylifolius Sm.

             Kennmerkende soort: R. mus.

            Onopvallende bramen, klierloos of met verspreide of onopvallende klieren. Vrucht duidelijk berijpt.

            Aantal soorten:
            4
      • Sectie Subidaei (Focke) Asch. & Graebn., Syn. Mitt. Eur. Fl. 6.1: 895 (1905).

        Type (Weber 1981): R. pruinosus Arrh.

        Syn. Subsectie Subidaei (Focke ) Hayek, Fl. Steierm. 835 (1909).

         Kenmerkende soort: R. pruinosus.

        Intermediaire subsectie tussen R. caesius en R. idaeus, waarvan de soorten waarschijnlijk gestabiliseerde producten van kruisingsprocessen tussen deze soorten en hun nakomelingen zijn.

        Bladloot vaak min of meer rechtopstaand, vrijwel altijd met donkerpaarse stekels. Bladeren meestal met breed eirond topblaadje, soms door deling daarvan 7-tallig. Vruchtbeginsels vaak met viltige beharing die makkelijk loslaat. Vrucht vaak zwartrood.

        Aantal soorten:
        7
      • Type (art. 22.4 ICBN): R. caesius L.

        = Serie Caesii (Lej. & Courtois) Krause 1885: 12

        =Sectie Triviales PJ.Müll. 1861. 278. R. caesius L. (Beek 1974).

        =Sectie Glaucobatus Dumortier 1864. R. caesius L.

        Vrucht dik blauwberijpt; bladloot vrijwel steeds met dikke waslaag ; planten met dunne, vaak rommelige bladeren

        Aantal soorten:
        2
    • Bladloot neerliggend tot boogvormig, vaak met donker bruinpaarse stekels; topblaadje vaak gedeeld; vrucht vaak weinig ontwikkeld.

      Aantal soorten:
      2