R. alumnus Bailey

Grote trosbraam

R. alumnus L.H. Bailey

Gentes Herbarum 1: 191 (1923).
Holotype: IOWA STATE UNIVERSITY, Herb. Bailey, Plants of Missouri, coll. by B.F. Bush, s.n Rubus argutus Link, Lake City, Mo, May 30, 1923, Prairies, no 10071.

Bladloot rechtopstaand, 7 mm dik, scherpkantig, gegroefd, kaal, met talrijke zittende klieren. Stekels ± 7 per internodium, met 6-9 mm brede voet, geleidelijk versmald, afstaand, 8-9 mm lang. Steunblaadjes lijnvormig, met enkele vrijwel zittende klieren. Bladsteel 7-14 cm lang, met 14-15 korte kromme stekels met brede voet. Bladeren lichtgroen, aan de bovenzijde iets behaard, aan de onderzijde dun voelbaar zacht behaard, met lichte kamharen op de nerven. Bladrand fijn, zeer spits, regelmatig gezaagd, met rechte tanden. Topblaadje 118 mm lang, breed elliptisch, met hartvormige voet, geleidelijk in een lange spits versmald; breedte 70% van de lengte. Lengte van het steeltje 52-58% van de lengte van het blaadje.
Bloeitak kantig, gegroefd, los behaard, met talrijke (vrijwel) zittende klieren. Stekels 1-4 per internodium, uit 2-3 mm brede voet snel versmald, teruggericht of gebogen, 1,5-4 mm lang. Bloeiwijze onregelmatig (samengesteld) trosvormig, meestal zonder duidelijke hoofdas, los behaard, beklierd, met vrij zwakke stekels, vrij hoog bebladerd. Zijtakken opstijgend, rond of iets boven het midden gedeeld, maximaal 2-bloemig. Bloemsteeltjes 10-35 mm lang, los behaard, met 0-1 stekels en 25->70 vrijwel zittende of kortgesteelde klieren. Kelkslippen ong. 5 mm breed, los teruggeslagen, groen met witte rand, beklierd. Kroonbladen wit, breed eirond of elliptisch, 21-24 mm lang. Meeldraden wijd uitstaand, langer dan de groene stijlen. Helmhokken, vruchtbeginsels en vruchtbodem kaal. Bloeitijd eind juni, juli.

Standplaats: Op oude buitenplaatsen.

Gelijkende soorten: R. immodicus lijkt in bladvorm op R. alumnus, maar deze soort heeft een dichter behaarde bloeiwijze, behaarde vruchtbeginsels en vruchtbodem en veel minder klieren. In Europa wordt R. alumnus meestal voor R. allegheniensis Porter gehouden, die onder meer verschilt door kleinere bloemen, kortere (-5 mm lange) stekels en regelmatig trosvormige bloeiwijzen met rechte hoofdas en smallere kelkslippen. Meer overeenkomst vertoont R. rosa, die echter breed hartvormige en aan de onderzijde fluweelzacht behaarde bladeren heeft.

Taxonomie: In Amerika zijn er talrijke verwante soorten uit de serie Alleghenienses die vaak moeilijk te onderscheiden zijn.

Verspreiding: In de VS in Missouri; in Europa hier en daar (half-)verwilderd op buitenplaatsen en in botanische tuinen.

Nederland: Alleen op het landgoed Oud-Bussum.

Verspreiding Verspreiding
  • foto A.S. Troelstra
    foto A.S. Troelstra
  • foto A.S. Troelstra
    foto A.S. Troelstra