R. adulans A.Beek

 

Kwispelhaarbraam

Rubus adulans A.Beek

Osnabr. Naturw. Mitt. 23: 40 (1997).
Holotype: L, Kern & Reichgelt 18718, Beijerinck, Ter Pelkwijk & Reichgelt, Heemse, 27.7.1951.

Breed elliptisch of eirond topblaadje met rechte tanden; vaak aan dezelfde turio fijn gezaagde bladeren en zeer diep ingesneden bladeren; bloeiwijze vaak breed met uitstaande takken; kelkslippen met lang uitgetrokken punt, in verschillende richtingen staand, kroon roze.

Bladloot laag boogvormig, zelfs bij weinig zon al roodachtig, kantig met vlakke of convexe zijden, matig tot vrij dicht afstaand behaard. Stekels 2-8(-20) per internodium, met 4-6 mm brede voet, geleidelijk versmald, afstaand tot teruggericht, vaak met gebogen punt, 5-6 mm lang, soms met een enkel klein stekeltje. Steunblaadjes lijn- tot lancetvormig, behaard, beklierd. Bladsteel 5-9 cm lang, zwak tot matig behaard, met 8-13 gebogen tot kromme stekels, vaak met enkele klieren. Bladeren 5- of hoogst zelden door deling van het topblaad­je 6-tallig, aan de bovenzijde kaal of zwak behaard, aan de onderzijde vrijwel kaal of met dunne kamharen op de nerven. Bladtanding vrij stomp, met dikke spitsjes, van vrij fijn regelmatig tot uitgesproken grof, ingesneden en sterk periodisch, vaak aan dezelfde plant. Topblaadje 85-139 mm lang, eirond, elliptisch of iets omgekeerd eirond, met afgeronde tot hartvormige voet, geleidelijk tot plotseling toegespitst, soms aan een zijde tot de voet gedeeld en dus sameng­esteld; breedte 60-83% van de lengte. Lengte van het steeltje 24-39% van de lengte van het blaadje.
Bloeitak stompkantig tot rondachtig, matig tot vrij dicht behaard, met 0-5 klieren per 5 cm. Stekels 2-6 per internodium, met 2-8 mm brede voet, teruggericht of gebogen, soms wat ongelijk, de langste 2-6 mm lang. Bloeiwijze matig tot zeer breed, met stompe top, vrij rijk beklierd, zwak bestekeld, alleen aan de voet of tot de top bebla­derd; bladeren steeds zonder vilt. Zijtakken afstaand tot opgericht, de langste met (1-)3-18 bloemen, vaak vanaf de basis gedeeld.. Bloem­steeltjes met talrijke zittende en 3->50 gesteelde klieren en 0-4 stekels. Kelkslippen groen of grijsgroen, ± afstaand met lange punten die in verschillende richting­en staan, met 0-40 klieren en 0-4 stekels. Kroonbladen roze, breed eirond tot vrijwel cirkelrond, 12-14 mm lang. Meeldraden langer dan de geelgroene of vleeskleurige stij­len. Helmhokken en vruchtbeginsels kaal. Vruchtbodem kort behaard. Bloeitijd: eind juni- september.

Standplaats: Hagen, bossen en bosranden op voedselrijke, vaak iets leemhoudende zand­grond.

Gelijkende soorten: Door de wijde bloeiwijze met grote roze bloemen met kelkslippen in verschillende richtingen nauwelijks te verwarren. R. crassidens heeft alle bladeren grover gezaagd en (vrijwel) witte bloemen.

Verspreiding: Hoofdzakelijk in Nederland. Buiten Nederland alleen bekend van Zuid-België en van Bentheim in Duitsland.

Nederland: Verspreid door het hele land, maar overal zeldzaam. Alleen in Twente en in de omgeving van Doorn en Neerlangbroek meer voorkomend.

Verspreiding Verspreiding