R. leucandrus Focke

 

Nerfhaarbraam

Rubus leucandrus Focke

in Alpers, Verz. Gefässpfl. Landdrostei Stade 27 (1875).

Neototype (Weber 1986): BREM, Focke, Bassum. 24.7.1879.

Synon.: R. leucandrus ssp. belgicus Weber, Rubi Westphalici 126 (1986).

Onderste zijblaadjes vrijwel zittend; topblaadje met eirond tot elliptisch topblaadje; bloeiwijze dicht ruig grijs behaard, meestal onregelmatig vertakt.

Bladloot 5-7 mm dik, meestal scherpkantig, duidelijk behaard. Stekels 7-15 per internodium vaak ongelijk, met 2-4 mm brede voet, vaak geleide­lijk versmald, afstaand of teruggericht, zelden met iets gebogen top, 5-6 mm lang. Steun­blaadjes lijnvormig tot eirond, vaak met enkele kortgesteelde klieren. Bladsteel 5-10 cm lang, evenlang als tot veel langer dan de onderste zijblaadjes, aangedrukt tot los behaard, met 6-15 gebogen stekels. Bladeren 5-tallig, aan de bovenzijde iets behaard, aan de onderzijde vooral op de nerven kort, duidelijk voelbaar behaard. Bladtanding meestal vrij regelma­tig en niet periodisch, zelden onregelma­tig en duidelijk periodisch, met rechte tanden. Onderste zijblaadjes 0-3 mm gesteeld. Topblaadje 62-86 mm lang, met hartvormige of soms uitgerande voet, eirond tot elliptisch, (vrij) plotseling kort tot lang toegespitst; breedte 63-86% van de lengte; lengte van het steeltje 32-41% van de lengte van het blaad­je.
Bloeitak matig tot dicht behaard. Stekels 1-10 per internodium, gebogen of zwak terugge­richt, soms iets ongelijk, 2-4(-5) mm lang. Bloeiwijze kort cylin­drisch tot breed driehoekig, afgerond of afgeknot, onregelma­tig vertakt, dicht, vaak ruig grauwgrijs behaard, met meestal afstaande stekels Zijtakken loodrecht of schuin afstaand, rond het midden gedeeld, de langste met 2-5(-11) bloemen. Bloem­steeltjes 8-30 mm lang, dicht behaard, soms met een enkele klier en met (0-)1-10 stekels. Kelkslippen los terug­geslagen tot afstaand, viltig en afstaand behaard, onbestekeld. Kroonbladen wit of lichtroze, elliptisch, 10-14 mm lang. Meeldraden vaak weinig langer dan de groenachtige stijlen. Helmhokken en vruchtbe­ginsels kaal. Vruchtbodem iets behaard. Bloeitijd: eind juni, juli.

Standplaats: Bossen en bosranden op zure tot enigszins basische grond.

Gelijkende soorten: R. sciocharis heeft vaak deels 4-tallige bladeren en behaarde helmhok­ken. R. dejonghii is kaler en heeft (vrij) talrijke gesteelde klieren in de bloeiwijze. R. libertianus heeft een kale, gegroefde, rechtopstaande bladloot.

Verspreiding: Noord-Duitsland, zuidwaarts westelijk van de Rijn tot in de Eifel; Nederland, België tot juist in Noord-Frankrijk.

Nederland: In het midden en zuiden van het land, meestal verspreid, alleen op het plateau van Vaals algemeen.

Verspreiding Verspreiding