R. beijerinckii Meijer

 

Grote haarbraam

R. beijerinckii Meijer

Gorteria 26: 209 (2000).
Holotype: L, Meijer, nr. 2280, 14 juli 1997, prov. Dren­the, Zuidwolde, Steenbergen, langs wegrand camping Klein-Zwit­serland (Atlasblok 22.12.31).

Vlakke, in de zon slechts weinig rood verkleurende bladloot; bladeren zeer grof getand, weinig behaard; topblaadje met zeer lange spits. Bloeiwijze cylindrisch of piramidaal.

Bladloot boogvormig, 5-8 mm dik, meestal stompkantig met vlakke zij­den, in de zon iets rood verkleurend, zwak tot matig behaard, met 0-5(-10) zittende klieren per 5 cm. Stekels 10-20 per internodium, iets ongelijk, met 5-8 mm brede voet, snel ver­smald, sterk afgeplat, slank, teruggericht of met iets gebogen punt, 6-10 mm lang. Steunblaadjes lijnvormig, 10-16 mm lang, gewimperd, met korte klieren. Bladsteel 6-9 cm lang, korter tot veel langer dan de onderste zijblaadjes, los be­haard tot kaal wordend, met soms enkele kort gesteelde klieren en met 10-12 gebogen of kromme stekels. Bladen 5-tallig, aan de bovenzijde zwak behaard, aan de onder­zijde hoofdzakelijk op de nerven niet of nauwelijks voelbaar behaard. Bladtanding (vrij) breed, stomp tot driehoekig, met topspitsjes, matig of vaker diep, soms bijna ingesneden, onduidelijk periodisch ge­zaagd, met rechte of iets terug­ge­richte tanden. Topblaadje met uitgerande tot hartvormige voet, 99-140 mm lang, eirond, elliptisch of omgekeerd eirond, gelei­delijk in een zeer lange, vrij brede 20-25 mm lange spits versmald; breedte 57-67(-93)% van de lengte; lengte van het steel­tje 27-40% van de lengte van het blaadje.
Bloeitak kantig, zwak tot matig behaard, met 0-2 kortgesteelde klieren per internodium, ongelijk, met 3-8(-9) mm brede voet, vrij plotseling versmald, slank, sterk teruggericht soms met gebogen top, 4-9 mm lang. Bloeiwijze cylindrisch of piramidaal, vaak tot in de top bebladerd, matig afstaand behaard, met slanke, teruggerichte, iets gekromde stekels, vaak vrijwel onbestekeld. Bloemsteel­tjes 10-40 mm lang, viltig en afstaand behaard met talrijke zittende klieren en 1-10 stekels. Kelkslippen teruggeslagen, grijsvil­tig en tevens kort behaard met ± zittende klieren en 2-12 kleine stekeltjes. Kroonbladen wit, elliptisch tot omge­keerd eirond, tot 14 mm lang. Meeldraden veel langer dan de geelgroene stijlen. Helmhokken behaard. Vruchtbeginsels (vrij­wel) kaal. Vruchtbodem lang behaard. Bloeitijd: half juli tot midden augustus.

Standplaats: Hagen op voedselrijke zandgrond.

Gelijkende soorten: R. gratus heeft zwakkere stekels, een minder lang toegespitst, anders gevormd topblaadje en vrijwel nooit een duidelijk piramidale bloeiwijze. R. leucandrus heeft veel zwakkere stekels, is meer behaard en heeft kale helmhok­ken.

Verspreiding: Noord-Nederland en Noord-Duitsland.

Nederland: In het zuiden van Drenthe en aangrenzend Overijssel.

Verspreiding Verspreiding