R. pervirescens

Rubus pervirescens Sudre

Kleine grondbraam

Bull. Ac. Intern. Geogr. Bot. 14: 129 (1905).
Syn.: R. virescens G.Braun Herb. Rub. Germ. 10 (1877) non Boulay & Pierrat, Ass. Rubol. 44 (1873).

Bladloot boogvormig, 4-5 mm dik, kantig, vrijwel kaal of iets behaard, soms met een enkele gesteelde klier. Stekels 3-16 per internodium, uit een 1-3 mm brede voet snel versmald, teruggericht of heel licht gebogen, tot 3-5 mm lang. Steunblaadjes lijnvormig. Bladsteel 7-10 cm lang, korter tot iets langer dan de onderste zijblaadjes, met 5-10 zwakke, gebogen of kromme stekels. Bladeren 5-tallig, lichtgroen, aan de bovenzijde zwak behaard, aan de onderzijde zacht behaard, in de zon soms licht viltig. Bladrand vrij fijn, iets onregelmatig, niet of nauwelijks periodisch gezaagd, met deels naar buiten gerichte tanden. Topblaadje 9-12 cm, breed eirond of elliptisch, met hartvormige voet, (vrij) geleidelijk vrij lang toegespitst; breedte 55-70% van de lengte. Lengte van het steeltje 25-38% van de lengte van het blaadje. Onderste zijblaadjes kort gesteeld.
Bloeitak kantig, vaak gegroefd, los behaard, onbestekeld of met 1-2 stekels per internodium, onbeklierd of met enkele kort gesteelde klieren. Bloeiwijze klein, met een armbloemige tros die niet of nauwelijks boven de bladeren uitsteekt en daarnaast meestal een of meer losse bloemen of kleine trosjes in de bladoksels, as heen en weer gebogen, los behaard, onbestekeld of met enkele kleine gebogen stekels en klieren. Bladeren opmerkelijk verschillend van die van de bladloot: klein, 3-tallig , grof getand, met smal topblaadje met min of meer wigvormige voet. Bloemsteeltjes 5-25 mm lang, los behaard, met 0-30 kort gesteelde klieren en 0-3 kleine stekeltjes. Kelkslippen afstaand, (grijs-)groen, onbestekeld of soms met een enkele stekel en kort gesteelde klier. Kroonbladen wit, omgekeerd eirond, 8-11 mm lang, net als bij andere Sprengeliani vaak niet afvallend. Meeldraden korter dan de stijlen. Helmhokken kaal. Stijlen groen of na de bloei met rode voet. Vruchtbodem kaal.
Standplaats: Bossen en bosranden op arme maar niet te droge grond.


Verspreiding: oostelijk Westfalen en aangrenzend Nedersaksen, in het zuiden iets verder westelijk.


Nederland: op enkele plaatsen op het landgoed Schaffelaar bij Barneveld. Vermoedelijk oorspronkelijk aangevoerd met plantmateriaal.