R. imbricatus

Rubus imbricatus Hort

Ann. Mag. Nat. Hist. 7:34 (1851).

Lectotype (Edees & Newton 1988): GCE, Redbrook, West Cloucester, 20.07.1850.

Bladloot hoogboogvormig, 5-9 mm dik, (stomp-)kantig met vlakke of iets gegroefde zijden, met zeer verspreide  haren tot vrijwel kaal. Stekels 4-12 per internodium, uit 3-5 mm brede voet weinig tot duidelijk terug gericht, soms iets gebogen, tot 5-7 mm lang. Bladsteel 4-9 cm lang, veel langer dan de onderste blaadjes, zwak behaard, met 4-10 gebogen stekels. Bladeren (3-)4-5-tallig, aan de bovenzijde zwak tot matig behaard, aan de onderzijde grijsgroen vrij zacht behaard, soms iets viltig, periodisch gezaagd, met (vrijwel) rechte tanden. Blaadjes overlappend. Topblaadje 56-92 mm lang, met hartvormige voet, breed omgekeerd eirond tot vrijwel cirkelrond, plotseling vrij lang toegespitst. Breedte 61-84% van de lengte. Lengte van het steeltjes 25-39% van de lengte van het blaadje. Onderste zijblaadjes (vrijwel) zittend.

Bloeitak zwak kort behaard, klierloos, met 2-5 teruggerichte 4-6 mm lange stekels. Bloeiwijze doorbladerd met kort cilindrische bladloze top, kort dun viltig,met verspreide teruggerichte stekels, klierloos. Zijtakken opstijgend, onder of rond het midden gedeeld, vaak gebundeld, de langste met 9-10 bloemen. Bloemsteeltjes 8-15 mm lang, viltig, zonder langere haren, zonder gesteelde klieren en 0-4 stekels. Kelkslippen teriggeslagen, grijsviltig, onbestekeld. Kroonbladen bleekroze tot wit, omgekeerd eirond, 11-13 mm lang. Meeldraden langer dan de groene stijlen. Helmhokken kaal of soms met een enkele haar. Vruchtbeginsels aan de top behaard. Vruchtbodem zwak behaard.

 

Verspreiiding: Britse eilanden, noordwest Frankrijk, Noordrijn-Westfalen in Duitsland, Nederland.

Nederland: Op zeer verspreide plaatsen: Lunteren, Berg en Dal en ten zuid-oosten van Tegelen.

 

 

 

 

 

Verspreiding Verspreiding