R. adspersus Weihe ex H.E.Weber

 

Spikkelhaagbraam

Rubus adspersus H.E.Weber

Österr. Botan. Zeit. 122: 278 (1973).
Lectotype (Weber 1973b): MSTR, Weihe, s.d., s.l. s.n. R. carpinifolius.

Eirond topblaadje dat vanaf een brede basis zeer geleidelijk in de spits versmald is. Bladrand scherp en vrij fijn gezaagd met rechte tanden. Bloeiwijze met talrijke weinig of niet gebogen stekels. Kelkslippen ruig behaard, aan de binnenzijde vaak met een rode vlek aan de basis. Vruchtbeginsels met lange haren.

Bladloot hoogboogvormig of klimmend, (3-)5-8(-11) mm dik, scherpkantig met ± vlakke zijden, in de zon wijnrood gevlekt, gewoonlijk matig tot dicht behaard, zelden (in de schaduw) slechts weinig behaard. Stekels 12-25 per internodium, geel, vaak met steenrode voet, meestal iets onregelmatig, met 4-8 mm brede voet, plotseling tot geleidelijk versmald, sterk afge­plat, 6-10 mm lang, afstaand, teruggericht of met licht gebogen spits. Steunblaad­jes lijn- of lijnlancetvormig, 12-22 mm lang, dicht behaard, met kort gesteelde klieren. Bladsteel 5-9 cm lang, (vrij) dicht behaard, met 17-25 forse, gebogen of kromme gele stekels met gele of rode basis. Bladeren 5-tallig of zelden door deling van het topblaadje 6- of 7-tallig, aan de bovenzijde (vrijwel) kaal tot zwak behaard, aan de onderzijde dicht kort behaard, soms licht grijsviltig, in de schaduw minder behaard, met korte kamharen op de nerven. Bladtanding (vrij) fijn, regelmatig tot licht periodisch, scherp, lang toegespitst, met rechte tanden. Topblaadje 82-138 mm lang, eirond tot elliptisch, met afgeronde tot hartvormige voet, meestal zeer geleidelijk lang toegespitst, soms gelobd of gedeeld; breedte 60-85% van de lengte. Lengte van het steel­tje 25-41% van de lengte van het blaadje.
Bloeitak kantig, dicht behaard. Stekels 6-23 per internodium, onregelmatig, de langste (4-)5-7 mm, teruggericht of gebogen. Bloeiwijze cylindrisch of piramidaal met cylindrische top, soms onduidelijk piramidaal of tuilvormig, aan de voet door­bladerd, met talrijke gele stekels, los tot vrij dicht afstaand behaard. Zijtakken opstijgend, boven het midden ge­deeld, gewoonlijk (1-)3-8 bloemig, maar niet zelden de onder­ste zijtak rijkbloemig en bebladerd als een nevenbloeiwijze. Bloemsteeltjes 10-22 mm lang, dicht afstaand behaard, met 7-15(-28) meestal iets gebogen stekels, met subsessile klieren, soms met een enkele kortgesteelde klier of klierstekel. Schut­blaadjes met kortgesteelde klieren. Kelkslippen concaaf, afstaand tot teruggeslagen, aan de binnenzijde vaak met opval­lend rode basis, aan de buitenzijde (groen-)grijs, viltig en behaard, met 0-4(-6) stekels. Kroonbladen wit of lichtrose, omge­keerd eirond, 10-14 mm lang. Meeldraden langer dan de geelgroene stijlen. Helmhokken kaal. Vruchtbeginsels (meestal dicht) behaard. Vruchtbodem behaard. Bloeitijd: juli, begin aug.

Standplaats: Hagen en bosranden op matig voedselrijke kalk­vrije grond.

Gelijkende soorten: R. platyacanthus: zie aldaar. R. nemoralis heeft kromme stekels in de bloeiwijze, duidelijk roze bloemen en meestal donkerder groen blad, met anders gevormd topblaad­je.

Verspreiding: Noord-Duitsland vanaf de Poolse grens, Nederland, Belgïe, Zuid-Engeland.

Nederland: Algemeen in de Gelderse Vallei; elders verspreid. Weinig in het noorden van het land.

Verspreiding Verspreiding
  • foto A.S. Troelstra
    foto A.S. Troelstra
  • foto A.S. Troelstra
    foto A.S. Troelstra
  • foto A.S. Troelstra
    foto A.S. Troelstra