Boogbraam. Subsectie Appendiculati Genev.

Jan. 1869: II.

Synon: Sectie Silvatici P.-J. Müller 1861: 278.
= Subsectie Fruticosi (Wimmer et Grabowski) Babington 1.V.­1869: 36.
= Sectie Fruticosi (Wimmer et Grabowski) Lejeune et Courtois 1831: 162.
= Fruticosi Wimmer et Grabowski 1829: 23. Type: R. fruticosus ssu Weihe (= R. montanus Libert ex Lejeune).
= Subsectie Discolores (P.-J. Müller) Boulay 1869: II.
= Sectie Discolores P.-J. Müller 1861: 278. Type (ICBN art. 22.4): R. discolor Weihe.
= Subsectie Virescentes Genevier 1869: 163. Type (nov. publ.): R. questieri P.-J. Müller et Lefèvre.
= Subsectie Appendiculati Genevier 1869: 63. Type (Van de Beek 1974): R. flexuosus P.-J. Müller et Lefèvre.
= Subsectie Spectabiles (P. J. Müller) Boulay 1869: II.
= Sectie Spectabiles P.J.M. 1861. 278. Type (nov. publ.): R. vestitus Weihe.
= Subsectie Glandulosi (Wimmer et Grabowski) Boulay 1869: III,
= Glandulosi Wimmer et Grabowskii 1829: 33.
= Subsectie Hiemales Krause 1890: 57. Type (WEBER 1985): R. conothyrsus Focke (= R. siekensis Bra­un).
= Subsectie Senticosi Focke 1914: 113. Type (nov. publ.): R. rhamnifolius Weihe et Nees (R. senticosus Koehler ex Weihe excl.).

Bladloten met overhangende top of neerliggend, in de herst aan de top wortelend. Geen wortelopslag. Kelkslippen meestal grijsachtig. Bloeiwijze meestal pluimvormig sameng­esteld.

  •  

    Serie Gypsocaulon (P.J.Müll. ex Sudre) Juz.

    Flora USSR 10: 20(1941).

     

    Typesoort: R. ulmifolius Schott  (Beek 2005)

    Blauwberijpte bladloot, kleine witviltige, iets leerachtige bladeren, onbebladerde smalle, viltige, klierloze bloeiwijze, brede kroonbladen.

    Taxonomie: De correcte nomenclatuur hangt af van de interpretatie van R. discolor die volgens art. 22.4 van de ICBN typesoort van de serie Discolo­res is. Wanneer men deze soort zoals vaak gedaan (zie bijvoorbeeld Weber 1986), identificeert met R. ulmifolius, dan zou de serie Gypsocaulon als correcte naam Discolores moeten dragen. Mijns inziens is R. discolor Weihe echter een ander taxon. De protoloog en de prent in Weihe et Nees (1822-27) kunnen onmogelijk op R. ulmifolius betrekking hebben. R. discolor is eerder identiek met R. spina-curva of eventueel R. pseudargenteus H.E.Weber. In 1974 heb ik het type in JE (abusievelijk vermeld als LE) aangewezen. Dit is zeker geen exemplaar van R. ulmifolius die ik toen reeds goed kende. Ik zag de plant aan voor een afwijkende behaarde vorm van R. bifrons die ik niet goed kende. Het exemplaar in JE kon recent niet worden teruggevonden. De collectie van Focke is nu in BREM waar het exemplaar niet is. Gelukkig is er indertijd een foto gemaakt van het type die zich nu in L bevindt.

    Aantal soorten:
    1
  • Syn. Rub. Germ. 154 (1877)
    Type (ICBN 22.5): R. candicans Weihe ex Reichenb. (= R. montanus Lib. ex Lejeune).

    Synon.: Serie Discolores (P.-J. Müller) Focke, Spec. Rub. 3: 376 (1914). Voor informatie zie onder de serie Gypsocaulon.
    Type: R. discolor Weihe

    Kenmerkende soort: R. procerus P.J.Müll. ex Boul.


    Bladloot niet dicht berijpt of als dat bij uitzondering het geval is, dan met lange haren. Bladeren aan de onderzijde grijs- of witviltig. Bloeiwijze klierloos of bij hoge uitzondering met een enkele klier.

     

    Aantal soorten:
    16
  • Serie Hayneani Tratt.

    Syn. serie Rhamnifolii Focke, typo excl.

     

    Kenmerkende soort: R. nemoralis

    Koepelvormige fors bestekelde struiken. Bladloot meestal iets behaard, klierloos of zelden met een enkele klier. Bladeren aan de onderzijde groen of de bovenste iets grijsviltig. Bloeiwijze klierloos of met verspreide klieren, sterk bestekeld.

    Aantal soorten:
    28
  • Bibliotheca Botanica 83(2): 180 (1914).
    Type (art 22.4 ICBN): R. egregius Focke.

     

    Kenmerkende soort: R. egregius Focke

    Bladloot kaal of weinig behaard. Bladeren vaak ten dele 3- of 4-tallig, vaak grijs- of matgroen. Bloeiwijze viltig, zonder of met zeer verspreide lange haren, soms met enkele klieren. Zijtakken gewoonlijk onder het midden gedeeld.

    Aantal soorten:
    9
  • Rub. Eur. 22 (1908). = Groupe Piletosi Genev. 1869: 163. Type (BEEK 1974): R. piletostachys Godron & Grenier. = Subserie Piletosi (Genevier) Beijerinck 1956: 51. = Serie Grati (Sudre) Beijerinck 1956:51 = Groupe Grati Sudre 1900. 37. Type (art. 22.4 ICBN): R. gratus Focke. = Subsectie Grati (Sudre) Sudre 1908. 22. = Serie Eugrati Sudre 1908. 22. (nom. ill. Art. ICBN)

    Kenmerkende soort: R. macrophyllus.

    Forse bramen van bosranden en hagen, met (vaak dicht) behaarde bladloot, meestal weinig bestekeld; bloeiwijze meestal ruig behaard, niet of zwak beklierd. De meest karakteristieke soort is R. macrophyllus. R. gratus neigt met zijn geringe beharing en vaak grijsgroene kelken naar de Semisuberecti.

    Aantal soorten:
    10
  • Spec. Rub. 3:391 (1914). Type (ICBN 22.5): R. silvaticus Weihe.

    Weber 1986 kiest R. piletostachys Godron als type. Hoewel Müller R. silvaticus Weihe niet aanneemt voor de omgeving van Weissenburg blijkt uit zijn aarzeling of zijn R. axillaris (= R. axillariformis Sudre) identiek is met R. silvaticus, duidelijk dat hij de soort tot deze serie rekende.

    Kenmerkende soort: R. silvaticus Weihe & Nees

    Bloeiwijze lang piramidaal of enigszins cylindrisch, sterk bebladerd, met talrijke weinig verbrede stekels. Topblaadje vaak min of meer omgekeerd eirond. Planten weinig of niet beklierd.

    Aantal soorten:
    7
  • Rub. Eur. 22 (1908).

    Type (art. 22.5): R. nemorensis P.J.Müll. & Lefèvre


    Kennmerkende soort: R. hypomalacus.

    Onopvallende bramen met kleine bloeiwijzen en grote bladeren. Bladeren 3-5 tallig. Topblaadje vaak eirond, geleidelijk toegespitst.

     

    Aantal soorten:
    3
  • Syn. Rub. Germ. 77 (1877).

    Type (art. 22.5): R. sprengelii Weihe.

    Kennmerkende soort: R. sprengelii.

    Kleine bramen; bladloot zonder of met verspreide klieren, behaard; bladeren aan de onderzijde zonder vilt; bloeiwijze meestal met verspreide, soms talrijke klieren; kroonbladen na de bloei niet afvallend, maar verdrogend; meeldraden meestal korter dan de stijlen.

    Aantal soorten:
    4
  • Rub. Westphalici 290 (1986).

    Type (ICBN 22.5): R. mucronatus Bloxam (= R. mucronulatus Boreau).

    Kenmerkende soort: R. mucronulatus.

    Bladloot meestal met enkele klieren en kleine stekels; bladeren fijn getand; topblaadje meestal fijn toegespitst; bloeiwijze met gesteelde klieren; helmhokken vaak behaard.

    Aantal soorten:
    2
  • Syn. Rub. Germ. 78 (1877).

    Type (art. 22.4): R. vestitus Weihe

    Kenmerkende soort: R. vestitus.

    Dichtbehaarde bramen met afstaande en meestal tevens stervormige haren; bladloot zonder of met enkele tot vrij talrijke kleine stekels en klieren, bladen aan de onderzijde meestal met kamharen op de nerven en vaak tevens viltig; bloeiwijze fraai piramidaal, beklierd en dicht ruig behaard.

    Aantal soorten:
    18
  • Osnabr. Naturwiss. Mitt. 5: 128 (1977).

    Type (ICBN 22.5): Rubus anisacanthos Braun

     Kenmerkende soort: R. conothyrsoides.

    Bladloot in sommige gedeelten met vrijwel gelijke stekels en klierloos en in andere gedeelten met vrij talrijke kleine stekels en klieren, kaal tot matig behaard; bloeiwijze met forse stekels.

    Aantal soorten:
    4
  • Type: R. grandifolius Löwe

    Kenmerkende soort: R. glandithyrsos.

    Bladloot zonder of met zeer verspreide gesteelde klieren of kleine stekeltjes in scherp contrast met de rijk en lang beklierde bloeiwijze.

    Aantal soorten:
    3
  • Rub. Eur. 284 (1913).

    Type (ICBN 22.5): R. micans Godron

    Kenmerkende soort: R. raduloides.

    Stekels ongelijk met verspreide tot matig talrijke kleine stekels en overgangen; klieren weinig tot matig talrijk, ongelijk van lengte; bladloot kaal of weinig behaard; topblaadje eirond of omgekeerd eirond, niet tegelijk fijn toegespitst en fijn getand.

    Aantal soorten:
    2
  •  

    Syn. Rub. Germ. 317 (1877).

    Type (ICBN 22.5): R. radula Weihe.

     Kenmerkende soort: R. rudis.

    Bladloot met talrijke klieren en kleine stekeltjes die min of meer gelijk van lengte zijn en (vrij) duidelijk afgegrensd van de grote stekels. Bladonderzijden gewoonlijk iets grijs- of witviltig, Bldloot duidelijk behaard tot vrijwel kaal.

    Aantal soorten:
    2
  •  Knemrkende soort: R. pallidus.

    Bladloot met talrijke klieren en kleine stekeltjes die min of meer gelijk van lengte zijn en vrij duidelijk afgegrensd van de grote stekels, maar beide gewoonlijk minder uitgesproken dan bij de serie Radula. Bladeren aan de onderzijde groen. Bladloot gewoonlijk (vrij) dicht behaard

    Aantal soorten:
    13
  • Syn. Rub. Germ. 78 (1877).

    Type (ICBN 22.5): Rubus hystrix Weihe.

    Synon.: Subsectie Hystrix (Focke) Hayek 1909. 794.

    Serie Koehleriani (Bab.) Focke 1914. 459 = Group Koehleriani Bab. 1869. Type (ICBN 22.5): R. koehleri Weihe.

    Kenmerkende soort: R. rosaceus.

    Forse planten met kantige bladloten. Grotere stekels meestal afgeplat en fors. Klieren en kleine stekels zeer talrijk, met allerlei tussenvormen verbonden met de grote stekels. Bladeren meestal 5-tallig.

    Aantal soorten:
    8
  • Journ. Ecol 33:     (1946).

    Type: R. schleicheri Weihe

    Kenmerkende soort: R. schleicheri

    Bladloot rond tot stompkantig. Stekels afgeplat, stevig. Bladeren meestal 3-tallig. Bloeiwijze met talrijke klieren. Klieren op de bloemsteeltjes vaak korter of merendeels evenlang als de dikte van het steeltje.

    Aantal soorten:
    5
  • Syn. Rub. Germ. 355 (1877).

    Type (ICBN 22.5): Rubus glandulosus Bellardi.

    Kenmerkende soort: R. oreades.

    Tere of matig krachtige planten meestal met ronde of stompkantige bladloot. Grotere stekels min of meer naaldvormig. Klieren en kleine stekels zeer talrijk, met allerlei tussenvormen verbonden met de grote stekels; die op de bloemsteeltjes deels langer dan de doorsnede van het steeltje; bladeren vaak 3-tallig.

     

    Aantal soorten:
    11